‘De moed om opnieuw te beginnen’

Of: waarom een kerk een symbool werd

Eén van de meest aangrijpende herinneringen aan het ‘sterven’ van de brandende Eusebiuskerk in september 1944, was het geluid van de luid- en carillonklokken die door vallende brokstukken, rondvliegende granaatsplinters en kogels tot klinken werden gebracht. Een spookachtig metalen galmen, duidelijk hoorbaar boven het geraas van de vlammen. Diverse getuigen hebben dat geluid beschreven, en de angstige en droevige emoties die het bij hen opriep.

Vrijwillige brandwacht
Toen de Britse para’s op zondag 17 september 1944 landden nabij  Arnhem, bevond zich een tien man sterke brandwacht in de toren van de kerk. Op maandag 18 september kregen deze vrijwilligers het al erg moeilijk, omdat ze door zowel Duitse als Britse troepen onder vuur werden genomen. Beide strijdende partijen dachten dat de piketwachten met hun stalen helmen tegenstanders waren. Op dinsdag 19 september werd de brandwacht door de Duitsers uit de toren verjaagd. Er was toen al een klein brandje geweest op de toren, dat handmatig werd geblust. De blusinstallatie bleek op het kritieke moment niet te werken.
Op 19 september besloot een Duitse commandant de toren te beschieten, omdat er vanuit die richting op zijn troepen zou zijn geschoten. Waarschijnlijk kwamen de schoten van Duitse soldaten in de toren, die hun eigen troepen voor Engelsen hadden aangezien. Na een welgemikt schot uit een kanon begon de kerk te branden. De brand duurde tot de ochtend van de volgende dag. Alle houten delen in de toren en in de kerk, inclusief de daken en de kerkbanken, verbrandden compleet. Het interieur werd verwoest.

Ruïne bijna opgeblazen

De Eusebiuskerk kort na de Slag om Arnhem in september 1944

De Eusebiuskerk kort na de Slag om Arnhem in september 1944

Kort na de strijd stond het stenen karkas van de kerk nog overeind, inclusief de toren. Ondanks ernstige beschadigingen aan de toren, leek het de experts goed mogelijk om het bouwwerk te repareren. Kort daarop werden alle Arnhemmers door de Duitsers gedwongen om hun stad verlaten. Pas na de bevrijding keerde de bevolking terug. Er zijn geen getuigen van het instorten van de kerktoren en een groot deel van de rest van de kerk, in januari 1945. Waarschijnlijk is de al verzwakte toren omgevallen door de schokgolf die ontstond, toen de Duitsers de Rijnbrug opbliezen. Het is ook mogelijk dat de Duitsers de toren moedwillig opbliezen, om de geallieerde kanonniers in de Betuwe een van ver zichtbaar markeringspunt te ontnemen.
Hoe dan ook: toen de Arnhemmers naar de stad terugkeerden, vonden ze een ruïne op de plek waar ooit de Eusebius had gestaan. De toestand van de ruïne was zo onstabiel, dat Canadese geniesoldaten de resten van de kerk en de toren wilden opblazen. Dat kon op het laatste moment verhinderd worden. Na een novemberstorm moest een wiebelend deel van de toren veiligheidshalve toch worden afgebroken.

Steun voor de herbouw
In de zomer van 1945 werd de Amsterdamse architect Berend Tobias Boeyinga tot restauratie-architect benoemd, op voorspraak van de directeur van het Rijksbureau voor de Monumentenzorg. Blijkbaar waren de rijksinstanties het er al zeer kort na de oorlog over eens, dat de kerk herbouwd moest worden. Er werd in architectonische vakkringen wel voorgesteld om de kerkruïne als herdenkingsmonument te laten staan, net zoals de oude kathedraal van Coventry in Engeland, en de Gedächtniskirche in Berlijn. Maar uit bronnen blijkt een sterke steun voor herbouw, ook onder ‘gewone’ Arnhemmers.

Martin Pieterse