Geschiedenis Strumphlerorgel

Het Strumphlerorgel
Tijdens de Slag om Arnhem in september 1944 heeft de Eusebiuskerk ernstig te lijden gehad. Een felle brand zorgde er uiteindelijk voor dat kerk en toren grotendeels verloren gingen. Ook het indrukwekkende Wagnerorgel dat dateerde uit 1769/1770, moest het ontgelden. Van dit instrument bleef letterlijk alleen een registerplaatje over. In 1951 kocht de Eusebiuskerk een nieuw monumentaal orgel: het Strumphlerorgel van de Hersteld Evangelisch Lutherse kerk in Amsterdam.

Korte geschiedenis

Over het Strümphlerorgel
Het Strümphlerorgel in de Grote- of Sint Eusebiuskerk is meer dan 200 jaar oud. Het naamplaatje boven de speeltafel vermeldt als bouwjaar 1795, een brochure over de geschiedenis van het instrument noemt als datum van ingebruikname 1 juni 1796.
De orgelbouwer (Johannes Stephanus Strumphler), is geboren in Lippstadt (D) in 1739. Hij had zich al vroeg in Amsterdam gevestigd en had al meerdere kleien en middelgrote instrumenten op zijn naam staan toen hij zijn grootste opdracht kreeg: een orgel voor het nieuwe gebouw van de Hersteld Evangelisch Lutherse Kerk aan de Kloveniersburgwal te Amsterdam.

Was deze kerkgemeenschap zo rijk? Dat niet zozeer, maar men had wel een sponsor; ook toen al. Het is nog te lezen op het schild dat als ornament in de orgelkas is opgenomen: “Van ’t geen Jan Bouwman gaf/ tot opbouw dezer kerk / staat ook, tot eer van God / dit sierlijk orgelwerk”. Dat de vorm van het gewelf van de “Kloof” bepalend was voor de vorm van de orgelkas is nog te zien. Bovenop de orgelkas, precies in het midden, ziet men vaak een beeltenis van koning David met zijn harp; vorstelijk staande. Er was echter voor een staande David onvoldoende hoogte , nu zit hij er wat ineengedrongen bij.

Grote bekendheid kreeg het instrument toen de in 1898 benoemde 20-jarige Jan Zwart vanaf 1929 wekelijks orgelbespelingen gaf voor het toen nog nieuwe medium: de radio. Elke maandagmiddag anderhalf uur! Voor de vertolking van orgelwerken uit de Romantiek had Jan Zwart een Zwelwerk van 8 stemmen laten plaatsen. Als musicus met gevoel voor historie werd er niet in de bestaande constructie en dispositie ingegrepen; dit siert hem postuum nog, want dat ging in de regel niet zo. Lees hier meer over het Strumphlerorgel. 

Aanpassingen
In 1837/38 was het orgel aan restauratie toe. De firma J. Bätz & Co. (Utrecht) nam die voor zijn rekening en vernieuwde enkele tongwerken. Twee decennia later herstelde orgelmaker H. Knipscheer (Amsterdam) het orgel en wijzigde tevens de dispositie. In 1922 breidde de orgelbouwer A. Bik (Amsterdam) het instrument uit met een zwelwerk, dat vanaf het derde manuaal bespeelbaar is. De bediening van deze zwelkast geschiedt door middel van een zogenoemde kniezweller, zoals bij een harmonium. C. Verweys bracht in 1940 nog een eigen klavier aan het zwelwerk aan en hij verving de kniezweller door een normale basculetrede.

Opgeslagen
Ondanks dat de Eusebiuskerk het orgel al in 1951 aankocht, heeft het nog jaren in onderdelen opgeslagen gestaan in de Arnhemse Paasbergkerk. Pas toen de restauratie van de kerk in 1959 ver genoeg gevorderd was, begonnen de Utrechtse gebroeders Van Vulpen aan de opbouw van de kas. Zij zorgden tevens voor de hoognodige restauratie van het bijna 200 jaar oude orgel. Daarbij werd ook het toegevoegde zwelwerk dat in 1922 geplaatst was, weer verwijderd. In 1962 werd het officieel in de Arnhemse kerk in gebruik genomen.

Decoraties
Het Strumphlerorgel is een mooi voorbeeld van de Duits-Hollandse barokke orgelbouw. In de Hersteld Evangelisch Lutherse kerk reikte het tot aan de nok, in de Eusebiuskerk scheelt het enkele meters met de kruin van het middenschipgewelf. Bovenop de orgelkas, precies in het midden, ziet men zoals op veel orgels ook hier een beeltenis van koning David met zijn harp, normaal gesproken vorstelijk staand. In de Amsterdamse kerk was er echter voor een staande David onvoldoende hoogte, waardoor hij er nu wat ineengedrongen bij zit.

Aan weerszijden van hem zijn engelen afgebeeld, compleet met lauwerkransen en trompetten. Ook zijn kinderengelen te zien die de zijkanten van het orgel versieren met bloemenslingers. Tot slot zijn er drie putti (mollige kinderfiguren) afgebeeld. Zij houden het schild vast waar de naam van de schenker – Jan Bouwman – op vermeld staat.

Verkocht
Het kerkgebouw in Amsterdam kwam buiten gebruik en de “Kloof” werd bank-archief en het orgel werd verkocht naar Arnhem waar door de oorlogshandelingen het Wagner-orgel geheel vernietigd was. Over die verkoop is heel wat te doen geweest; over het verlies voor Amsterdam, over de restauratiefirma, over de capaciteit voor de veel grotere Eusebius, over het Zwelwerk dat niet meegekocht werd, kortom: het gebruikelijke wel en wee van cultuurgoed. Het orgel kwam in een geheel gerestaureerde kerk, een gebouw dat praktisch vanaf de grond opnieuw opgebouwd was.
Dat riep om gebruiksproblemen, en die kwamen er ook. De nagalmtijd in de lege kerk was enorm: 10 seconden op het gehoor en bij nauwkeurig nameten nog meer. Voor het orgel betekende dat: grote onduidelijkheid voor de lage tonen, en onbalans tussen hoog en laag. Na een 2de restauratie is er op veel hout en op goede plekken absorptie-materiaal ingebracht, zodat het instrument nu optimaal klinkt.

Gemeentezang
Hoewel men anders zou vermoeden, heeft het in de Nederlanden lang geduurd voordat het algemeen geaccepteerd werd, dat bij gemeentezang het orgel mocht worden gebruikt. Ook waren orgels al behoorlijk ontwikkeld voor er sprake was van gemeentezang.
De instrumenten waren vooral eigendom van de burgerlijke gemeente en die overheid bepaalde wanneer er gespeeld werd, vaak door de week en ’s zondags voor en na de dienst.
Pas in de loop van de 17de eeuw werd gemeentezang- begeleiding min of meer vanzelfsprekend. En zo heeft ook dit instrument aanvankelijk uitsluitend gefunctioneerd.

(gegevens voor deze tekst werden ontleend aan een orgel verjaardagsrede van Johan van Dommele, van 1959 tot 1995 vaste bespeler van het instrument)

Bekendheid
Grote bekendheid kreeg het instrument toen de bekende organist Jan Zwart vanaf 1929 wekelijks orgelbespelingen gaf voor een toen nog nieuw medium: de radio. Elke maandagmiddag speelde hij anderhalf uur tot aan zijn dood in 1937. Voor de vertolking van orgelwerken uit de Romantiek had Jan Zwart een zwelwerk van acht stemmen laten plaatsen. Als musicus met gevoel voor historie werd er niet in de bestaande constructie en dispositie ingegrepen. Later werd het orgel ook nog bespeeld door Feike Asma. In Arnhem was Johan van Dommele van 1962 tot 1995 de vaste bespeler van het instrument. Hij werd opgevolgd door de huidige (stads)organist Johan Luijmes.

Klik hieronder om het orgel te beluisteren.

 

Dispositie

De dispositie van een orgel is het geheel van registers, manueelverdeling, speelhulpen en technische details. De orgelbouwer stemt de dispositie per orgel af in overleg met de opdrachtgever en afhankelijk van de ruimte waar het orgel komt te staan.

Hoofdwerk (manuaal 2): prestant 16′ – bourdon 16′ – prestant 8′ (discant dubbel) – holpijp 8′ – octaav 4′ – speelfluyt 4′ – quint 3′ (discant dubbel) – octaav 2′ – woudfluyt 2′ (1855) – mixtuur 2′ 5-6 sterk bas/discant – cornet 4′ 4 sterk discant – trompet 16′ bas/discant – trompet 8.

Rugwerk (manuaal 1): quintadena 16′ – prestant 8′ (discant dubbel) – fluyt douce 8′ – octaav 4′ – gedekte fluyt 4′ – gedekte quint 3′ – speelfluyt 2′ – flageolet 1′ – sexquialtera 2⅔’ 2-4 sterk bas/discant – mixtuur 1⅓’ 4-6 sterk bas/discant – fagot 16′ – hoboe 8′ – tremulant (1962).

Bovenwerk (manuaal 3): prestant 8′ (discant dubbel) – roerfluit 8′ – quintadena 8′ – viola di gamba 8′ – octaav 4′ – openfluyt 4′ – nassat 3′ – octaav 2′ (discant dubbel, 1962) – woudfluyt 2′ – scherp 1′ 3-4 sterk bas/discant – cornet à piston 8′ vanaf a (1855) – dulciaan 8′ – vox humana 8′ bas/discant (1838) – tremulant.

Pedaal: prestant 16′ – subbas 16′ – roerquint 12′ – octaav 8′ – bourdon 8′ – octaav 4′ – nagthoorn 2′ – mixtuur 2⅔’ 4 sterk (1962) – basuyn 16′ – trompet 8′ – trompet 4′ – cornet 2′.

Koppelingen: hoofdwerk aan pedaal (1838) – rugwerk aan pedaal (1985) – rugwerk aan hoofdwerk – bovenwerk aan hoofdwerk.

Mechanische sleepladen. Manuaalomvang: C-f3. Pedaalomvang: C-d1. Winddruk: 89 mm. WK. (hoofdwerk), 85 mm. WK. (rugwerk en pedaal), 83 mm. WK (bovenwerk).