‘Nou dát weer!’

Of: waarom de zwaartekracht aan elke kerk trekt (en vooral aan gotische)

Hadden de Arnhemmers die oude romaanse Martinuskerk maar laten staan! Een romaanse kerk is bijna niet kapot te krijgen. Een romaanse kerk heeft simpele ton- en kruisgewelven, die rusten op dikke muren met forse steunberen. Zij dragen het gewicht van de gewelven zoals een olifant een muis draagt. Een romaanse kerk is een grote klomp steen. Onverwoestbaar.

Nadelen van stevigheid
Er zijn voorbeelden van romaanse kerken die al vele eeuwen stormen, branden en oorlogen hebben getrotseerd, compleet met de eeuwen geleden aangebrachte mozaïeken en schilderingen.

De romaanse Oude Kerk in Oosterbeek uit ca 1000 is een van de oudste kerken van Nederland.

De romaanse Oude Kerk in Oosterbeek uit ca 1000 is een van de oudste kerken van Nederland.

Er zijn wel nadelen aan al die stevigheid. Door de dikke muren zijn de ramen nogal klein. Grote vensteropeningen zouden de muren verzwakken, waardoor er instortingsgevaar dreigt. Door de kleine ramen is het vaak donker in romaanse kerken. Omdat het gewicht van de gewelven niet alleen naar beneden drukt, maar ook zijwaarts, kunnen de muren bovendien niet al te hoog worden, anders zouden ze naar buiten worden gedrukt. Een romaanse kerk valt niet om, maar je mag haar niet te hoog bouwen. Sommige kerkbouwers in de dertiende eeuw vonden zo’n donkere kerk met een laag plafond niet in overeenstemming met hun mystieke ideeën over wat een kerkruimte zou moeten zijn. Gods geest leeft immers niet in een soort donkere grot, maar in het licht, en in de oneindige ruimte.

Steunberen en luchtbogen tegen de buitenmuren

Steunberen en luchtbogen tegen de buitenmuren.

Reusachtige stenen boekensteunen
In de dertiende eeuw ontstond vanuit die behoefte naar licht en ruimte de Gotiek. Vooral in het gebied rondom Parijs werd met nieuwe stijlelementen geëxperimenteerd. De toepassing van de nieuwe bouwstijl geschiedde aanvankelijk aarzelend, maar mettertijd steeds sneller en radicaler. Het goede voorbeeld deed volgen. Wie vertrouwd was met romaanse kerken en ineens in een gotische kerk stond, wilde nooit meer iets anders. Het architectonisch wauw!-effect van de Gotiek plantte zich als een schokgolf voort over heel Europa. Gotiek (overigens een scheldwoord uit latere eeuwen, toen de stijl weer uit de mode was geraakt) werd in de dertiende eeuw de toonaangevende stijl van christelijk Europa.
Gotische stenen spitsbogen en spitsgewelven zijn hoger en smaller dan de romaanse rondbogen en kruisgewelven. Alleen al daardoor wordt het gewicht van de gewelven veel beter in verticale richting naar beneden afgeleid. De zijwaartse druk is beduidend minder. En wat er aan zijwaartse druk resteert, wordt in de Gotiek niet binnen in de kerk opgevangen, maar erbuiten. Steunberen en luchtbogen tegen de buitenmuren houden de krachten in bedwang, als reusachtige stenen boekensteunen.

Wie kan het hoogst?
Op die manier kunnen de muren veel smaller en dunner worden geconstrueerd. Feitelijk krijg je daardoor hoge, slanke muurstroken, waarin grote vensters zijn uitgespaard. Het interieur van een gotische kerk is doorstroomd van licht, een mystieke verwijzing naar het Licht van Gods aanwezigheid. De Gotiek is rank en slank, en sterk verticaal gericht, de hoogte in.
De ijle constructie van een gotische kerk heeft ook nadelen. Wie bouwtechnisch consequent tot het uiterste gaat, loopt het risico dat het verfijnde bouwwerk niet overeind blijft staan. Omdat de middeleeuwse kerkbouwers ook maar mensen waren, wilden ze dat hun kerk de mooiste, en vooral de hoogste werd van allemaal. In de dertiende eeuw ontstond er al snel een regelrechte wedstrijd, wie de hoogste gotische kerk kon bouwen. Dat leidde uiteindelijk tot brokken. De bouwmeester van de gotische kathedraal in Beauvais in Frankrijk gingen dusdanig tot het uiterste, dat het koor van de kerk in 1284 gedeeltelijk instortte, slechts twaalf jaar na de voltooiing. Men was duidelijk te ver gegaan. De instabiele kerk werd wel hersteld, maar uiteindelijk nooit helemaal afgebouwd.

Verticaal huzarenstukje
Een gotische kerk is altijd een verticaal huzarenstukje, een symfonie van balanceerkunst. Alleen de precieze verdeling van de krachten over gewelven, muren, steunberen en luchtbogen zorgt ervoor dat de boel overeind blijft. Niets garandeert dat dat in de toekomst zo blijft. In feite is een gotische kerk een inherent instabiel bouwwerk. Ook de Eusebiuskerk.
Gedurende de ruim 450 jaar dat de Grote of Eusebiuskerk in Arnhem staat, zijn er voortdurend momenten geweest waarop de zwaartekracht, daarbij meedogenloos geholpen door de tand des tijds, vat kreeg op het immense gebouw. Er zijn vele instortingen en branden geweest, lang voor de ramp van september 1944. Stenen balustrades verkruimelden en werden vervangen door houten hekwerken. Brokken natuursteen kwamen los en werden vervangen door bakstenen metselwerk. Enzovoort. Op oude foto’s van vóór de oorlog is het enigszins sjofele uiterlijk van de kerk goed te zien. De buitenmuren vormen een lappendeken van reparaties en haastig herstelwerk, zichtbaar uitgevoerd met weinig geld in kas.

Restaureren hoort erbij
Toen na de oorlog werd besloten om de Eusebius te herbouwen, wilden de  architecten maar al te graag het lap- en verstelwerk uit de voorgaande eeuwen definitief wegpoetsen, en vervangen door een gotische kerk ‘zoals ‘ie ooit bedoeld was’. Maar wel weer een gotische kerk, inderdaad. Een mooi maar wiebelig ding, dat maar net overeind blijft. Als we er goed voor zorgen, gaat dat overigens eeuwen goed. Reparaties en restauraties horen echter bij kerken. Zeker bij gotische exemplaren.

Martin Pieterse